Waarom veel organisaties investeren in AI terwijl hun grootste groeirisico elders zit.

[English version can be found here]
Technologie versnelt alles. Ook bestuurlijke zwakte.
Wie vandaag de gemiddelde bestuurskamer binnenloopt, hoort overal ongeveer hetzelfde gesprek. Het gaat over kunstmatige intelligentie, procesautomatisering, data-integratie, schaalbaarheid, efficiency en de vraag hoe met minder mensen meer gedaan kan worden. Er worden pilots gestart, consultants ingevlogen, softwarelicenties afgesloten en interne projectgroepen opgetuigd. De ondertoon is telkens dezelfde: wie nu niet versnelt, raakt achterop.
Dat zal ongetwijfeld waar zijn.
Maar er is een veel ongemakkelijkere vraag die in opvallend veel directiekamers nauwelijks wordt gesteld: is de organisatie van binnen eigenlijk wel sterk genoeg om die versnelling te dragen?
Want technologie heeft een eigenschap waar in al het enthousiasme graag aan voorbij wordt gegaan: zij corrigeert bestuurlijke zwakte niet, zij vergroot haar uit.
Een organisatie met diffuus eigenaarschap wordt met meer technologie niet scherper, maar diffuser. Een organisatie met vermoeid management wordt met meer systemen niet daadkrachtiger, maar logger. En een organisatie waarin medewerkers mentaal al op afstand staan, gaat van AI niet ineens harder lopen. Integendeel: vaak wordt de afstand alleen maar zichtbaarder.
De miljardeninvestering die nog nauwelijks rendeert
Het recent verschenen Gallup-rapport State of the Global Workplace 2026 [bron] is op dat punt verplichte kost voor iedere bestuurder die denkt dat technologie de vanzelfsprekende route naar hogere productiviteit vormt. Ondanks naar schatting 40 miljard dollar aan enterprise AI-investeringen heeft 95% van de organisaties nog geen aantoonbaar positief effect op de winstgevendheid gerealiseerd, terwijl 89% van de bestuurders aangeeft geen merkbare stijging van de arbeidsproductiviteit te zien.
Dat zijn cijfers die zich niet eenvoudig laten wegrelativeren, zeker niet in een tijd waarin vrijwel ieder strategisch plan ongeveer hetzelfde vocabulaire bevat: digitaliseren, versnellen, automatiseren, slimmer organiseren en minder afhankelijk worden van arbeid. De impliciete belofte is helder: technologie gaat de organisatie fundamenteel productiever maken. Gallup laat vooral zien dat dit in de praktijk nog maar zeer beperkt gebeurt.
En dat zou bestuurders wakker moeten maken. Niet omdat AI geen potentie heeft — die heeft het evident wel — maar omdat deze uitkomst iets anders blootlegt: veel organisaties hebben geen technologietekort, zij hebben een absorptietekort. De systemen worden vernieuwd, de software wordt toegevoegd en de dashboards worden slimmer, maar het organisatorische lichaam dat ermee moet werken, besluiten moet nemen, mensen moet meenemen en gedrag moet veranderen, blijft in wezen hetzelfde. Precies daar begint de frictie.
Bestuurlijke slijtage laat zich zelden direct meten
Veel ondernemingen ogen aan de buitenkant nog altijd prima. De omzet loopt, de KPI’s worden gehaald of benaderd, er is een strategiepresentatie, er zijn innovatietrajecten en de kwartaalrapportages geven geen reden tot acute paniek. Maar dat zegt minder dan veel bestuurders hopen.
De grootste organisatorische verliezen ontstaan namelijk zelden in de cijfers die op maandagochtend in het MT worden besproken. Zij ontstaan in de dagelijkse onderlaag van de onderneming: leidinggevenden die besluiten vooruit schuiven, afdelingen die langs elkaar heen werken, medewerkers die exact doen wat gevraagd wordt maar niets extra’s meer brengen, problemen die niet meer echt worden benoemd en eigenaarschap dat formeel wel belegd is maar praktisch nergens landt. Dat zie je niet direct terug in één kwartaal en juist daarom is het zo verraderlijk. Het stapelt zich op, totdat de organisatie op enig moment traag wordt zonder dat iemand precies kan aanwijzen waar de rem zit.
Gallup geeft daar harde taal aan. Wereldwijd is nog slechts 20% van de medewerkers engaged in het werk; in Europa zelfs maar 12%. Dat betekent dat de overgrote meerderheid wel aanwezig is, salaris ontvangt en taken uitvoert, maar geen wezenlijke extra energie meer in de onderneming stopt. Mensen kunnen productief lijken en toch organisatorisch afwezig zijn. Veel directies onderschatten dat.
Wanneer juist managers de verbinding verliezen
Misschien nog zorgelijker is de terugval bij managers. Sinds 2022 daalde de betrokkenheid onder leidinggevenden wereldwijd met 9 procentpunt. Dat is geen detail, maar een systeemwaarschuwing. Want deze groep moet in vrijwel iedere onderneming strategie vertalen, tempo bewaken, gedrag corrigeren, mensen aanspreken, conflicten hanteren, prioriteiten stellen en eigenaarschap organiseren.
Wanneer juist daar de energie weglekt, ontstaat een organisatie die formeel nog functioneert maar steeds minder momentum ontwikkelt. Aan de bovenkant worden besluiten genomen en aan de onderkant wordt gewerkt, maar daartussen wordt het stroperig. En stroperigheid is misschien wel de duurste onzichtbare kostenpost van deze tijd; niet omdat er niets gebeurt, maar omdat alles net te langzaam, net te voorzichtig en net te weinig verbonden gebeurt om werkelijk versnelling te creëren.
Ik kom het eerlijk gezegd nog te vaak tegen. Op papier is er management, maar in werkelijkheid zijn veel managers verworden tot escalatiepunt, vergadercoördinator, planningsbewaker, rapportageverzamelaar of buffer tussen boven en beneden. Dat houdt de operatie gaande, maar het is iets fundamenteel anders dan leidinggeven. En daar zit precies het verschil tussen organisaties die nog draaien en organisaties die daadwerkelijk vooruitkomen.
Waarom technologie dan het verkeerde antwoord wordt
De reflex is begrijpelijk. Wanneer executie achterblijft, zoekt men versnelling. Wanneer efficiëntie tegenvalt, zoekt men automatisering. Wanneer processen stroef worden, zoekt men betere systemen. Soms is dat terecht, maar vaak probeert men een gedragsprobleem op te lossen met infrastructuur — en dat werkt zelden duurzaam.
Gallup laat zelfs zien dat de directe manager de bepalende factor is in succesvolle AI-adoptie. Medewerkers waarvan de leidinggevende AI actief ondersteunt, ervaren de meerwaarde daarvan vele malen sterker dan medewerkers zonder die steun. Dat zegt eigenlijk alles. Niet de tool is de doorslaggevende factor, maar de context waarin die tool landt.
Mensen veranderen niet omdat er software beschikbaar is. Mensen veranderen wanneer verwachtingen helder zijn, voorbeeldgedrag zichtbaar is, er vertrouwen bestaat, er consequent wordt aangesproken en leiding richting geeft. Kort gezegd: wanneer er leiding is. Daarmee wordt de bestuurlijke conclusie tamelijk onontkoombaar: de ROI van AI wordt in hoge mate bepaald door de ROI van leiderschap. En juist dat laatste wordt in veel organisaties nog verbazend weinig systematisch beoordeeld.
De vraag die op iedere bestuurstafel hoort te liggen
De relevante vraag is dan ook niet uitsluitend welke technologie nog moet worden toegevoegd, maar vooral waar in de organisatie de stille remmende krachten zitten die maken dat verandering onvoldoende landt. Dat is een wezenlijk andere en meestal ook ongemakkelijkere vraag, omdat het dan ineens gaat over diffuus eigenaarschap, managementlagen die hun functie verliezen, besluitvorming die vertraagt, te grote afhankelijkheid van enkele sleutelpersonen, conflictvermijding en psychologische afstand tussen top en werkvloer.
Dat zijn geen zachte cultuuronderwerpen. Dat zijn harde continuïteitsvragen. Veel ondernemingen lopen uiteindelijk niet vast op gebrek aan markt, gebrek aan kapitaal of gebrek aan technologie, maar op interne vermoeidheid die te lang onbenoemd is gebleven.
Waarom een onafhankelijke bestuurlijke blik steeds waardevoller wordt
Steeds meer directies, DGA’s en investeerders voelen ergens wel dat dit speelt, maar intern wordt het vaak onvoldoende scherp gezien. Dat is ook logisch: wie onderdeel is van het systeem, ziet systemische slijtage meestal pas laat. Daarom ontstaat steeds vaker behoefte aan iets anders dan de klassieke consultant, trainer of implementatiepartner. Niet nóg een model, niet nóg een heisessie en niet nóg een intern verbeterplan, maar een onafhankelijke buitenstaander met bestuurlijke ervaring die snel kan zien waar de organisatie ongemerkt kracht verliest, waar managementlagen niet meer leveren wat nodig is, waar de executie kwetsbaarder is dan de rapportages suggereren en waar bestuurlijke ingrepen noodzakelijk worden vóórdat resultaten terugvallen.
Dat vraagt scherpe observatie, patroonherkenning en vooral de bereidheid om ook de minder comfortabele conclusies op tafel te leggen.
De ongemakkelijke bestuurlijke conclusie
AI zal onmiskenbaar een groot deel van het speelveld veranderen. Maar laten we niet doen alsof technologie daarmee automatisch ook organisatiekracht creëert. Uiteindelijk winnen ondernemingen nog altijd op een veel fundamenteler vermogen: hun capaciteit om richting te vertalen naar gedrag, verantwoordelijkheid en uitvoering.
En daar zit voor verrassend veel organisaties op dit moment de werkelijke beperking. Niet in de software, maar in het leiderschap waarop de onderneming dagelijks rust. Dat is minder modieus dan een AI-roadmap, maar bestuurlijk wel aanzienlijk relevanter.
Een gesprek hierover?
Technologische ambitie is zichtbaar. Organisatorische slijtage meestal niet.
En juist dat maakt het bestuurlijk relevant om af en toe met een onafhankelijke blik naar de eigen executiekracht, managementdiepte en interne veranderbaarheid te kijken.
Herkenbaar? Ik wissel er graag eens gedachten over.
Erik Versteeg, 3 mei 2026
www.viamens.nl
ViaMens levert Leiderschap, Organisatie verbetering, Impact en Continuïteit.

